De deskundige en de opiniemaker. Feit of fictie?

13 september 2026

Wie bepaalt eigenlijk de vraag?

 Wie bepaald eigenlijk de vraag? Hoe formulier je een antwoord?


Hoe komt het dat we steeds dezelfde mensen horen, dezelfde namen tegenkomen en dezelfde geschiedenissen opnieuw verteld krijgen?


Wie bepaalt eigenlijk de vraag?


Steeds vaker stel ik mezelf dezelfde vragen: Waarom zien wij eigenlijk steeds dezelfde gezichten verschijnen in de media? Lezen wij de zelfde boeken? Leren wij wat ons wordt opgedragen?


In televisieprogramma's. Aan talkshowtafels. In interviews. In kranten. In opiniebladen. Op podia. Op sociale media. Steeds weer dezelfde deskundigen. Dezelfde opiniemakers. Dezelfde schrijvers. Dezelfde meningen. Dezelfde verhalen. Dezelfde inhoud.


Dezelfde namen die worden aangehaald wanneer er iets over politiek, geschiedenis, maatschappij, wetenschap of de mens wordt gezegd.


En ook wanneer we terugkijken in de geschiedenis lijkt het soms alsof er maar een handvol mensen werkelijk iets te vertellen heeft gehad.


We lezen dezelfde schrijvers. Citeren dezelfde filosofen. Halen dezelfde historische personen aan. Steeds weer dezelfde woorden, dezelfde theorieën, dezelfde verklaringen.


Alsof er niets anders bestaat dan hun geschriften, hun gesproken woorden, hun meningen, hun gedachtengoed.


Maar is dat werkelijk zo? Zijn wij simpelweg gewend geraakt aan datgene wat ons steeds opnieuw wordt aangereikt? Zijn we volgzaam, mond dood gemaakt, met betrekking tot ons gevoel, ons eigen vermogen tot nadenken.


Deze vragen laten mij niet meer los.


Want als we steeds dezelfde mensen blijven horen, ontstaat vanzelf de indruk dat zij degenen zijn die ertoe doen. Dat hun kennis belangrijker is, dat hun visie betrouwbaarder is. Dat hun woorden kennelijk meer gewicht hebben dan die van anderen, of ons zelf.


Maar wie heeft dat eigenlijk bepaald? Wat gebeurt er met al die mensen die nooit aan tafel komen? Met de onderzoeker die een andere vraag stelt? Met de schrijver die buiten de bekende kaders denkt? Baanbrekend gedachtengoed?


Met de deskundige die niet past binnen het verhaal dat op dat moment verteld wordt? Met iemand die een geschiedenis vanuit een ander perspectief bekijkt? Met de persoon die iets anders ziet, maar niet de juiste titel achter zijn naam heeft?


Daar begint mijn twijfel aan de inhoud, framing.


Vragen komen als vanzelf. Niet omdat ik denk dat iedere bekende deskundige ongelijk heeft. Niet omdat iedere journalist, schrijver of opiniemaker onderdeel zou zijn van een verborgen plan.


In tegendeel. Mijn vragen zijn veel eenvoudiger: Hoe ontstaat eigenlijk de werkelijkheid die wij dagelijks voorgeschoteld krijgen? Hoe krijgt ons wereldbeeld vorm? Met welk doel?


 Wie komt er aan tafel? Wat wordt er zichtbaar gemaakt?


Wanneer een televisieprogramma een deskundige uitnodigt, lijkt het voor de kijker alsof de keuze vanzelfsprekend is. Hij of zij weet er immers verstand van.


Maar die deskundige is niet zomaar aan tafel terechtgekomen. Iemand heeft hem uitgekozen. Iemand heeft bepaald dat juist deze persoon iets te vertellen heeft.


Iemand heeft het onderwerp geselecteerd. Iemand heeft de invalshoek bepaald. Iemand heeft de vragen voorbereid. Iemand heeft zorgvuldig de tafel, en programma indeling gemaakt.


En uiteindelijk wordt bepaald hoeveel tijd deze persoon krijgt om zijn verhaal te doen. Dat hele proces zien wij meestal niet. Wij zien alleen het eindresultaat.


De camera draait. De deskundige zit tegenover de interviewer. De vraag wordt gesteld. Het antwoord volgt. En daarmee lijkt het gesprek te beginnen. Maar eigenlijk begon het veel eerder… op de redactie.


Misschien zelfs nog eerder. Misschien bij de keuzes die een medium in de loop van zijn bestaan heeft gemaakt. Welke onderwerpen vinden wij belangrijk? Welke mensen vinden wij interessant? Welke bronnen vertrouwen wij? Welke invalshoeken passen bij onze doelgroep? Welke woorden gebruiken wij? Welke onderwerpen vinden wij maatschappelijk relevant?


En…??? welke vragen komen simpelweg niet bij ons op die wel verwerkt worden in een format?


Dat laatste vind ik misschien nog wel het interessantst. Want een vraag die niet gesteld wordt, krijgt ook geen antwoord.


Een vraag is nooit zomaar een vraag


Neem twee eenvoudige vragen;

- Wat zijn de voordelen van deze maatregel?

Of:

- Welke risico's en nadelen heeft deze maatregel?


Het onderwerp is hetzelfde. De deskundige dezelfde. De feiten waarover hij beschikt veranderen niet. En toch ontstaat er een ander gesprek door de verschil in route die vraag en antwoord hierdoor afleggen.


Voeg daar een derde vraag aan toe;

- Welke belangen kunnen een rol spelen bij deze maatregel?


We zijn dan alweer ergens anders aanbeland.


Dat betekent niet dat een van de vragen fout is. Het laat zien dat kracht, sturing zelfs, zit in de manier van vragen stellen.


Het laat zien dat de vraag het -onbekende- speelveld mede bepaalt. En daar begint voor mij het echte gesprek over onafhankelijkheid.


Want we praten vaak over de vraag of een deskundige onafhankelijk is. Maar hoe vaak vragen we ons af of de vraag zelf onafhankelijk is?


Wie bepaalt bijvoorbeeld welke vraag gesteld wordt? Wie bepaalt het kader waarbinnen de deskundige antwoordt? En wie bepaalt welke vragen überhaupt de moeite waard worden gevonden om gesteld te worden, binnen het kader van deskundigheid?


Dat vraagt een andere manier van kijken. Niet alleen kijken naar het antwoord. Maar naar alles wat eraan voorafgaat.


 De deskundige als mens


Een deskundige heeft kennis. Daar is niets mis mee. Sterker nog: we hebben deskundigheid nodig. Dat deze kennis openbaar wordt. We kunnen onmogelijk allemaal alles weten.


Maar deskundigheid betekent niet dat iemand vrij is van een verleden. Ook een deskundige is gevormd. Zal blijvend gevormd worden. Door opvoeding. Door opleiding. Door cultuur. Door omgeving. Door ervaringen. Door de mensen met wie hij heeft gewerkt. Door de boeken die hij heeft gelezen. Maar ook door de boeken die hij nooit heeft gelezen. Door vragen die hem tijdens zijn opleiding zijn gesteld. En door vragen die nooit op tafel kwamen. Dat maakt hem niet minder deskundig. Het maakt hem mens.


En juist daarom is het interessant om niet alleen te vragen: “Wat weet deze deskundige?” maar ook: “Van waaruit kijkt deze deskundige?”


Want kennis staat nooit helemaal los van de mens die haar draagt.


 Wie schrijft wat op?


We denken graag dat kennis begint bij informatie. Gegevens verzamelen. Onderzoeken. Meten. Vergelijken. Analyseren. Conclusie trekken.


Maar voordat er informatie verzameld wordt, moet iemand eerst bepalen welke informatie relevant is.


Wie schrijft wat op? Welke bron wordt gebruikt? Welke bron wordt betrouwbaar gevonden? Welke gegevens worden meegenomen? Welke gegevens worden weggelaten? Welke vraag ligt onder het onderzoek? Wie heeft die vraag geformuleerd? Wat wordt er gestimuleerd? Hoe is het tot stand gekomen?


Dat zijn geen kleine bijzaken. Ze bepalen mede wat er uiteindelijk zichtbaar wordt. Een onderzoek kan zorgvuldig zijn uitgevoerd en toch een beperkte werkelijkheid beschrijven. Bepaald door invalshoek.


Niet omdat het onderzoek ondeugdelijk is. Maar omdat de vraag beperkt was, achterwegen bleef.


Een uitstekend antwoord op een beperkte vraag blijft immers een antwoord binnen die kaders van beperking.


Daarom moeten we soms niet alleen naar de kwaliteit van het antwoord kijken. We moeten terug naar het begin; Wie heeft de vraag bedacht? Wat is haar geschiedenis?


 Het medium heeft ook een verleden


Nu komt hier iets bij wat we vaak vergeten. Een medium is niet neutraal in de betekenis dat het geen geschiedenis heeft.

Een krant heeft een geschiedenis. Een televisieprogramma heeft een geschiedenis. Een opinieblad heeft een geschiedenis. Een omroep heeft een geschiedenis. En die geschiedenis vormt mede wat vandaag vanzelfsprekend wordt gevonden. Daar hoort een heel referentiekader bij.


Niet alleen religie of levensbeschouwing. Maar ook politieke cultuur. Economische positie. Doelgroep. Redactionele traditie. Maatschappelijke omgeving. De geschiedenis van het medium zelf. De mensen die er werken. De onderwerpen die er al jaren aandacht krijgen. De onderwerpen die minder goed binnen de formule passen. En vooral de vanzelfsprekendheden die binnen zo'n omgeving zijn ontstaan.


Dat betekent niet dat een medium daarmee onbetrouwbaar is. Maar het betekent wel dat het vanuit een bepaald perspectief naar de werkelijkheid kijkt. Kleuring, beperking, iedereen doet dat.


Ook ik. Ook jij. Ook de deskundige. Ook de journalist. Het gesproken en geschreven woord ontkomt hier niet aan. Het probleem ontstaat pas wanneer we doen alsof dat perspectief er niet is.


 Wat -niet -zichtbaar is


Misschien is een blinde vlek daarom wel interessanter dan een beperkend zichtpunt.


Een beperkend zichtpunt kun je veelal aanwijzen. Een blinde vlek vaak niet. Om de dood eenvoudige reden - je ziet het niet.


Misschien is dat precies waarom bepaalde mensen jarenlang dezelfde onderwerpen vanuit dezelfde hoek blijven bekijken zonder zich af te vragen wat er buiten hun beeld valt. Niet omdat ze bewust iets achterhouden. Maar omdat het eenvoudig buiten hun referentiekader ligt.


Wat je nooit hebt geleerd te onderzoeken, ga je ook niet onderzoeken als je het niet ziet. En wat binnen jouw omgeving altijd als vanzelfsprekend is beschouwd, voelt niet als een overtuiging. Het voelt als de werkelijkheid. Dat is een belangrijk verschil.


 De deskundige en de opiniemaker


En dan verschijnt een andere figuur in dit verhaal. De opiniemaker.


De deskundige vertelt wat hij weet binnen zijn vakgebied. De opiniemaker geeft betekenis aan wat er gebeurt. Daar zit een verschil tussen.

Een deskundige kan zeggen: “Dit is wat uit het onderzoek naar voren komt.”


Een opiniemaker kan vervolgens zeggen: “En daarom zouden wij hier zo naar moeten kijken.”


Dat tweede is geen wetenschappelijk feit meer. Het is duiding. Een mening. Een interpretatie. Sturing soms. Dat hoeft helemaal niet verkeerd te zijn. Een samenleving heeft mensen nodig die verbanden leggen, vragen oproepen en een mening durven hebben.


Maar er ontstaat wel een probleem wanneer wij het verschil niet meer herkennen. Wanneer de mening van iemand door zijn bekendheid, titel of voortdurende aanwezigheid in de media dezelfde status krijgt als het onderliggende feit. Dan wordt autoriteit een soort snelkoppeling naar waarheid. En daar moeten we voorzichtig mee zijn.


 Waarom steeds dezelfde mensen?


Hier komt mijn oorspronkelijke vraag terug; Waarom zien wij steeds dezelfde gezichten?


Is het omdat ze goed zijn, ter zaken kundig? Kijkcijfers? Een bepaald belang dienen? Misschien is omdat ze beschikbaar zijn. Misschien omdat ze ervaring hebben met media. Misschien omdat een redactie weet wat ze aan hen heeft.


Misschien omdat hun naam herkenning oplevert, omdat het publiek hen her- kent, binnen het bestaande referentiekader passen. Of is het een combinatie van al die factoren.


Daar hoeft geen verborgen agenda achter te zitten. Een systeem kan zichzelf in stand houden zonder dat iemand het bewust bestuurt. Dat is misschien nog interessanter.


Een deskundige wordt uitgenodigd omdat hij bekend is. Omdat hij bekend is, wordt hij opnieuw uitgenodigd. Omdat hij opnieuw verschijnt, wordt hij nog bekender. Omdat hij bekend is, wordt zijn mening opnieuw geciteerd. En omdat zijn mening steeds opnieuw wordt geciteerd, lijkt hij steeds belangrijker.


Zo kan autoriteit zichzelf versterken. Zonder dat iemand ooit heeft besloten: “Vanaf vandaag gaan we alleen nog naar deze mensen luisteren.” Net als bij jezelf, het wordt gewenning, een patroon wat je meestal onbewust volgzaam maakt. Zonder kennis te hebben Hoe Wat waarom.


 En wat gebeurt er met de rest?


Dat is de vraag die mij het meest bezighoudt.


Want naast de bekende namen bestaat een enorme hoeveelheid andere kennis. Andere ervaringen. Andere onderzoeken. Andere geschiedenissen. Andere stemmen. Andere manieren om naar dezelfde werkelijkheid te kijken.


Sommige mensen hebben misschien geen titel. Geen instituut achter zich. Geen bekende naam. Geen toegang tot de juiste tafel. Sommige mensen hebben een levenslange ervaring waar geen diploma tegenop kan. Waar geen gebruik van wordt gemaakt.


Anderen hebben juist een wetenschappelijke achtergrond maar stellen vragen die buiten de gebruikelijke route vallen. En weer anderen hebben misschien helemaal geen behoefte aan een podium. Maar dat betekent niet dat hun perspectief niet waardevol kan zijn. Toch worden bepaalde mensen soms bijna onaantastbaar.


Niet vanwege wat ze zeggen, maar vanwege wie ze zijn. Een titel. Een functie. Een reputatie. Een carrière. Een aanzien. Geld. Een schare -internet- volgers.


En juist daar moeten we oppassen.


Want een titel maakt iemand deskundig binnen een bepaald terrein. Een titel maakt iemand niet automatisch deskundig over alles. Een functie geeft verantwoordelijkheid. Geen alwetendheid. Aanzien is geen bewijs. En een lange staat van dienst maakt een mens niet onfeilbaar. Hierover feiten te over vindbaar als je even verder leert kijken dan een verschijning zelf.


Daarom kom ik steeds terug bij deze meest eenvoudige vraag: Feit of fictie?


Maar misschien is die vraag inmiddels te eenvoudig geworden. Want tussen feit en fictie bevindt zich een enorm gebied. Daar vinden we interpretatie. Selectie. Duiding. Framing. Perspectief. Mening. Herhaling. En uitstraling.


Een feit kan correct zijn en toch onderdeel worden van een verhaal dat een bepaalde richting opgaat. Een deskundige kan volkomen eerlijk spreken en toch slechts één kant van een onderwerp belichten. Een journalist kan zorgvuldig werken en toch keuzes -moeten- maken die het beeld van de werkelijkheid beïnvloeden. Een opiniemaker kan oprecht geloven wat hij zegt en toch een publiek overtuigen van een interpretatie die geen feit is.


Dat maakt het juist zo moeilijk. En juist daarom moeten we leren kijken naar wat er vóór het antwoord gebeurt. Dat wordt al bepaald via ons leersysteem. Maar vooral via ons collectiefgeheugen. Misschien wel het meest onderschatte systeem waar wij dagelijks langslopen.


 Wie bepaalt het kader?


Misschien moeten we daarom een stap terug doen. Niet: Wie heeft er gelijk?


Maar: Wie bepaalt het kader waarin wij naar dit onderwerp kijken?


Wie bepaalt welke deskundige aan tafel zit? Wie bepaalt de eerste vraag? Wie bepaalt welke vraag daarna volgt? Wie bepaalt wie mag reageren? Wie bepaalt hoeveel tijd er is? Wie bepaalt welke bronnen worden gebruikt? Wie bepaalt welke historische figuren steeds opnieuw worden aangehaald? Wie bepaalt welke schrijvers worden gelezen? Wie bepaalt welke stemmen relevant genoeg zijn?


En misschien de lastigste: Wie bepaalt welke vragen wij zelf inmiddels zo vanzelfsprekend vinden dat we ze niet meer stellen? Niet meer toetsen aan de tijd?


 Geen complot. Wel kijken.


Hier moeten we zorgvuldigheid blijven betrachten. Want het is verleidelijk om al deze vragen bij elkaar op te tellen en vervolgens te zeggen: “Zie je wel. Het is allemaal gestuurd.”


Maar daarmee doen we de werkelijkheid, misschien zelfs onze eigen geschiedenis tekort. Sturing betekent niet automatisch dat er een centrale regisseur is. Invloed betekent niet automatisch manipulatie. Selectie betekent niet automatisch bedrog.


Een referentiekader betekent niet automatisch een agenda. En een deskundige met belangen is niet automatisch corrupt. Juist daarom moeten we de nuance vasthouden.


Het gaat niet om het aanwijzen van schuldigen. Het gaat om het zichtbaar maken van het proces.


Want ontstaat de richting die wij dagelijks ervaren niet door één grote hand? Of ontstaat zij uit duizenden kleine keuzes?


Of uit een redactie die iemand uitnodigt. Een journalist die een bepaalde vraag stelt. Een onderzoeker die een bepaalde onderzoeksvraag kiest. Een uitgever die een bepaald boek uitgeeft. Een krant die een bepaalde schrijver veel ruimte geeft. Een publiek dat steeds op dezelfde gezichten klikt.


En een samenleving die daardoor langzaam went aan een steeds kleiner venster op de werkelijkheid.


Niemand hoeft dat venster bewust kleiner te maken. Het kan vanzelf gebeuren. En juist daarom is het belangrijk om af en toe een stap naar achteren te doen. En te kijken door het raam van het venster zelf.


 De vraag achter de vraag


Door dit raam is uiteindelijk waar deskundigheid en onafhankelijkheid elkaar raken. Onafhankelijkheid begint niet bij een pas klaar antwoord. Onafhankelijkheid begint bij de vraag achter de vraag.


Een deskundige kan de feiten uitstekend kennen. Maar daarmee is nog niet gezegd dat hij alle krachten ziet die bepalen welke feiten aandacht krijgen. Welke verdwijnen. Welke worden benadrukt. Welke worden gerelativeerd. En welk beeld uiteindelijk bij het publiek achterblijft.


Daarom is de vraag niet alleen: “Is deze deskundige onafhankelijk?”

Maar ook: “Van welk kader maakt hij deel uit?”

En vervolgens: “Wie heeft dat kader bepaald?”


Dat zijn geen vragen waarmee je iemand verdacht maakt. Het zijn vragen waarmee je jezelf wakker houdt.


Hier begint onafhankelijk denken. Onafhankelijk denken begint helemaal niet dat je niemand gelooft. Dat lijkt mij zelfs onmogelijk. We zijn in beginsel afhankelijk van kennis van anderen. Van wetenschappers. Van artsen. Van historici. Van journalisten. Van mensen die ergens veel meer van weten dan wij. Vooral baanbrekers.


Maar er is een verschil tussen gebruikmaken van andermans kennis en je eigen denken aan iemand anders uitbesteden. Dat verschil moeten we bewaken.


Luisteren naar een deskundige. Maar ook luisteren naar een andere deskundige. Een opiniemaker aanhoren. Maar herkennen dat het een mening is. Een historisch verhaal lezen. Maar jezelf afvragen wie het verhaal heeft geschreven.


Een krantenartikel lezen. Maar ook kijken naar wat er niet in staat. Een onderzoek bestuderen. Maar ook de vraag bekijken waarmee het onderzoek begon.


Want zit de grootste vorm van onafhankelijkheid niet in het stellen van vragen. Maar ook in het vermogen om de vraag opnieuw te durven stellen.


 Wie onderzoekt de blinde vlek van de deskundige?


Het bewijs dat deskundigheid en menselijke kwetsbaarheid naast elkaar blijven bestaan.


Misschien is een van de lastigste vragen die je aan een deskundige kunt stellen;


Niet: weet u waar u het over heeft?

Maar: weet u ook wat u niet ziet?


Een mooi voorbeeld daarvan vind ik Erik Scherder. Hoogleraar neuropsychologie, veelgevraagd spreker en jarenlang een graag geziene deskundige op televisie. Iemand die ons juist veel heeft verteld over hoe ons brein werkt en hoe angst ons gedrag kan, zal, beïnvloeden.

Maar ook Scherder bleek niet immuun voor zijn eigen brein.


Na een zeer kritische recensie van tv-recensent Hans Beerekamp raakte de hoogleraar naar eigen zeggen behoorlijk uit balans. De kritiek kwam zo hard binnen dat hij, toen hij Beerekamp later bij een gelegenheid zag, de bijeenkomst verliet om hem niet onder ogen te hoeven komen. Uiteindelijk kwam het toch tot een ontmoeting. Ze spraken erover en Scherder vertelde openlijk hoe sterk de kritiek hem had geraakt.


Dat is geen zwakte van Scherder. Juist niet. Het laat iets zien wat we gemakkelijk vergeten: deskundigheid maakt iemand niet minder menselijk.


Je kunt jarenlang onderzoek doen naar het functioneren van het brein en toch op een bepaald moment door je eigen brein worden ingehaald.


En daar zit voor mij de vraag die verder gaat dan Scherder alleen.

Als een deskundige zijn eigen blinde vlek niet altijd kan zien, wie onderzoekt die dan? Wie stelt dan de vraag achter het antwoord? Wie kijkt niet alleen naar wat een deskundige weet, maar ook naar wat hij mogelijk niet ziet omdat het buiten zijn referentiekader valt?


Dat is geen aanval op deskundigheid. Het is juist een pleidooi om deskundigheid serieus te nemen. Want een deskundige is deskundig binnen een bepaald terrein. Daarbuiten is hij, net als ieder ander, een mens met ervaringen, overtuigingen, emoties, belangen, verwachtingen en blinde vlekken.


Een titel maakt iemand deskundig binnen een bepaald terrein. Een titel maakt iemand niet automatisch deskundig over alles.


En geldt ook voor iemand die door miljoenen mensen wordt gevolgt, als deskundige wordt gezien.


Want zodra een deskundige een bekende autoriteit wordt, ontstaat er iets anders. Zijn woorden krijgen gewicht. Zijn naam wordt een referentie. Zijn mening wordt opnieuw aangehaald. En wat eerst een deskundige duiding was, kan na voldoende herhaling bijna ongemerkt gaan klinken als een vaststaand feit. Verheven worden tot een helden status.


Daar begint voor mij opnieuw het vragen:

Niet: Wie heeft gelijk?

Maar: Wie kijkt er mee?


Wie kijkt naar de deskundige? Wie kijkt naar de journalist? Wie kijkt naar de opiniemaker? Wie kijkt naar de onderzoeksvraag? Wie kijkt naar het medium? Wie kijkt naar de geschiedenis achter het verhaal? En wie kijkt naar zichzelf?


Want uiteindelijk zijn wij niet alleen de ontvangers van al die informatie. Wij zijn er levend onderdeel van.


Wij kiezen wat we lezen. Wat we bekijken. Wie we volgen. Welke deskundige we vertrouwen. Welke mening we delen. Welke historische persoon we bewonderen. Welke schrijver we citeren. En welke vragen we nooit stellen.


Daarom begint kritisch denken niet bij wantrouwen. Het begint bij nieuwsgierigheid.


Bewustwording begint niet met zeker weten, maar met durven kijken. Bij de bereidheid om één stap verder te kijken dan het antwoord dat al voor je ligt. Dat is precies wat we vandaag opnieuw moeten leren.


Niet minder luisteren. Maar beter luisteren.


Niet minder deskundigen. Maar meer perspectieven.


Niet minder informatie. Maar meer bewustzijn van de weg die die informatie heeft afgelegd voordat zij bij ons terechtkwam.


En bovenal: niet alleen bevragen wat iemand zegt.


Maar ook: waarom deze vraag, waarom deze persoon, waarom dit perspectief - en waarom hoor ik dit steeds opnieuw?


Want achter ieder antwoord kan een vraag liggen. Achter iedere vraag een kader. Achter ieder kader een perspectief. En achter ieder perspectief een geschiedenis.


De vraag is dan alleen: wie heeft ons geleerd dat dit de werkelijkheid is?


Welke mensen luister je naar? Welke bronnen beschouw je als betrouwbaar? Welke vragen stel je niet meer? Welke overtuigingen heb je ooit overgenomen zonder ze -opnieuw, te onderzoeken?


Hier begin het echte kijken. En begint ook het echte denken.



Visiewijszer Anders kijken Anders denken Richting bepalen 

 

 

 

 

 



Uil, schrijven bij kaarslicht, digitaal manuscript, donkere studeerkamer , wijsheid.
door John • 17 oktober 2026
De mens is niet langer beschermd gebruiker van de digitale wereld, de mens is zelf een handelswaar geworden. Een digitale wereld welk niet uitsluitend bestaat in het visuele -kijken- systeem. Het is sterk verbonden via het auditieve -luisteren- systeem.
door John • 25 september 2026
Seksueel misbruik als beloningsysteem. Dwingende controle verwoest levens
Meer posts